Energiecrisis

Nederland heeft op dit moment een enorme behoefte aan energie. Auto’s en treinen moeten rijden, fabrieken moeten draaien, huizen moeten verlicht en verwarmd, enzovoort enzovoort. Dat betekent dat Nederland voor de vraag staat waar die energie vandaan te halen. Die vraag is niet nieuw. In het verleden stond Nederland al vaker voor die vraag.

Er bleken altijd meerdere opties te zijn. Nu zijn dat bijvoorbeeld olie, gas, kolen, zon- en windenergie. Alle opties hebben voor- en nadelen, en daarover wordt veel gesproken. Niet alleen door degenen die Nederland regeren, maar door iedereen die in Nederland woont. Schrijvers hebben zich altijd in deze gesprekken gemengd. Waarom deden ze dat? En hoe kun jij van hen leren over dit onderwerp te schrijven?

In de 17e eeuw groeide de behoefte aan energie ook enorm. Door klimaatverandering was het in West-Europa tijdelijk behoorlijk kouder (‘de kleine ijstijd’). En in Nederland groeide het aantal bewoners en dus het aantal huizen dat warm gestookt moest worden. Nederlanders werden economisch ook erg actief, en er kwamen steeds meer activiteiten waarvoor energie hard nodig was: van papier maken tot zilversmeden, en van het droog malen van polders tot het verlichten van scholen.

De 17e-eeuwse Nederlanders zagen turf als beste optie. Turf krijg je als je veen afgraaft. Veen bestaat uit plantenresten: je kunt uit lagen veen blokken steken, en dan heb je een turf. In heel veel gebieden (behalve Limburg) was dat veen te vinden. Als je het veen hebt weggegraven, houd je wel een plas water over of grond die nogal gemakkelijk verzakt.

In 1634 schreef Adriaan van der Venne een gedicht op turf, Sinne-Vonck op den Hollandtschen Turf, voor de inwoners van Den Haag. In hun buurt werd zogenaamd ‘laagveen’ gewonnen. Dat veen staat al onder water voordat het turf eruit gestoken wordt. Dit zijn drie regels uit dat gedicht:

Turven vollen Hollands-mijnen,
daer geen Modder-kolcken dwijnen;
Turven telt men tegen Gout,
Daer men Hol-Lant vol mee houdt.

[Hertaling in proza: Hollandse mijnen vol turven, waar de modderkolken niet door verdwijnen. Turven die zoveel waard zijn als goud. Men denkt dat het holle land (‘Hol-Land’) er vol mee ligt]

Schrijf op:

  • welke beelden Van der Venne voor de turfbieden gebruikt;
  • zijn dat positieve of negatieve beelden, en waarom is hij positief of negatief?
  • Van der Venne schrijft voor de inwoners van Den Haag, is dat te merken in zijn tekst?

 

In de 19e eeuw deed zich een nieuwe situatie voor: West-Europa kreeg steeds meer industrieën, en ook Nederland deed mee. De fabrieken draaiden op kolen. En alles wat ze maakten, werd vervoerd met stoomtreinen en -schepen die ook kolen gebruikten. Nu was het juist Limburg dat brandstof kon leveren, want in de grond liggen daar kolen. Dat ligt wel dieper dan veen, en dus werden er grote mijnen ingericht met diepe mijngangen om de kolen naar boven te halen.

Ook nu weer lieten de schrijvers zich horen, en richten ze zich tot speciale groepen lezers. We geven een voorbeeld:

Mijnwerkers zijn we, bergman geboren
Zwaar is de arbeid, duf is de dampkring,
mat in het hoofd en de hand dikwijls moe.
Maar als de sirene blaast,
maakt de stoere bergman haast.
Rustig daalt hij in de nacht,
waar wellicht de dood hem wacht.
Kameraden, kameraden,
slaven zijt gij van ’t moderne kapitaal.
Voegt u samen, voegt u samen,
toont uw moed, toont een wil als van staal.

Schrijf nu op:

  • welke beelden hierin voorkomen;
  • deze tekst is geschreven vanuit de ‘wij-vorm’, dat is meteen duidelijk: “Mijnwerkers zijn we…”.  Welke boodschap heeft de schrijver voor die mijnwerkers, als je kijkt naar de beelden waarmee gewerkt wordt?

Schrijf nu je eigen tekst over energiebehoefte. Hier een aantal tips die je kunnen helpen, en die kunt afleiden uit de voorbeelden die je in de eerdere stappen in deze oefening las.

  • kies de brandstof die jou op dit moment het meest bezighoudt: wind, zon, olie etc.;
  • gebruik beelden als je daarmee kort en krachtig kunt uitleggen wat je wilt zeggen;
  • kies positie: schrijf bijvoorbeeld een loflied of strijdlied;
  • kies een perspectief: wij-vorm, ik-vorm, of schrijver die alles lijkt te weten (zoals Van der Venne).

 

Bronnen:

Adriaan van der Venne, Sinne-vonck op den Hollandtschen Turf. Den Haag: 1634, p. 33.

Jaap van de Merwe,  Gij zijt kanalje, heeft men ons verweten. Het proletariërslied in Nederland en Vlaanderen. Utrecht: 1974. Geciteerd via: Max Paumen, De laatste gang. Het verdwijnen van de Europese mijnwerker.  Amsterdam / Antwerpen: 1993, p. 155.

  • Wat vond je van de oefening, of wat heb je geschreven? Vul het hieronder in!

    Neem contact met ons op